Bij bodemsanering maken we onderscheid in:

  • gevallen van ernstige verontreiniging: tenminste één stof overschrijdt gemiddeld de interventiewaarde in een bodemvolume van meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater.
  • vanaf 1 januari 1987 ontstane verontreinigingen: deze moeten volledig worden verwijderd ongeacht de omvang.
  • niet-ernstige verontreinigingen: alle overige verontreinigingen

Niet ernstig, toch saneren?
Sanering van een niet-ernstige bodemverontreiniging is wettelijk niet verplicht. Soms kan het toch wenselijk zijn om de verontreiniging te verwijderen. De omgevingsdienst adviseert de verontreiniging in de volgende situaties te saneren:

  • ter voorkoming van waardevermindering bij eventuele (toekomstige) verkoop;
  • stankoverlast;
  • verdere verspreiding van de verontreiniging;
  • mogelijk toekomstige overschrijding van de perceelgrenzen; de eigenaar kan daarna eventueel aansprakelijk worden gesteld;
  • mogelijke aantasting van kabels en leidingen.

Wanneer u besluit de verontreinigde grond te verwijderen is het mogelijk om het plan van aanpak en het evaluatieverslag ter goedkeuring in te dienen bij de omgevingsdienst. Wij reageren binnen twee weken of het plan akkoord is. In het geval van een evaluatierapport kunnen wij schriftelijk bevestigen dat de bodemverontreiniging is verwijderd. U kunt uw plan van aanpak en het evaluatierapport via de mail of post aan ons voorleggen.